Levenscyclus

Levenscyclus

Alen zijn katadrome  trekvissen: ze groeien meestal op in zoet water, maar planten zich voort in zout water (figuur 3). Om zich voort te kunnen planten moeten de alen dus naar zee zwemmen. Bijzonder aan de Europese aal is dat ze voor die voortplanting helemaal naar de Sargassozee zwemmen, vanuit Nederland is dat een zwemtocht van wel 6000 km. Deze zee ligt ten noorden van Cuba, dichtbij de Bermudadriehoek en is ongeveer zo groot als Europa. Alle andere aalsoorten planten zich in diepe oceanen voort. De Europese aal heeft een paaiplaats die op de grootste afstand ligt van het leefgebied.

In de Sargassozee worden de eitjes gelegd en bevrucht. Na het uitkomen van de eitjes beginnen de jonge larven, meeliftend op de Golfstroom, aan de terugreis naar Europa. Aan het einde van deze reis zijn de larven gegroeid en getransformeerd tot glasalen. Glasalen zijn klein (<7cm) en doorzichtig. Wetenschappers vermoeden dat de reis ergens tussen de half en drie jaar duurt, na het uitkomen uit het ei, totdat de glasalen aankomen in de riviermondingen van hun leefgebied in Europa.

Aangetrokken door het zoete water, migreren de glasaaltjes – waar mogelijk en op eigen kracht - landinwaarts. Hier krijgen ze al vrij snel pigment. In dit juveniele stadium worden ze ook wel pootaal genoemd. Tijdens een periode van snelle groei (tot langer dan 25 cm) veranderen de alen van kleur; donkerbruin met bruin-gelige flanken. In dit stadium heten ze rode aal. De alen verkeren het grootste deel van hun leven in dit stadium. Uiteindelijk ondergaan ze een metamorfose tot schieraal (schier = wit of blank). Ze krijgen grotere, lager liggende ogen, de flanken worden zilverkleurig en de buik wit met zwart afstekende vinnen en zijlijn. Deze metamorfose ondergaan ze vlak voor, of tijdens de migratie stroomafwaarts richting zee. Tijdens hun zwemtocht door de oceaan worden ze vervolgens ook geslachtsrijp.

Figuur 3: levenscyclus van de aal

Alle Europese alen behoren tot dezelfde populatie. e voortplanting gaat willekeurig, waarbij palingen uit het hele leefgebied met elkaar paren in de Sargassozee. Het is dus niet zo dat de jongen van Nederlandse schieralen vanzelfsprekend terugkeren naar Nederland. Zo hebben maatregelen die bijvoorbeeld in Nederland worden genomen, effect op de hele populatie en niet alleen op de aal in Nederland.

Europese alen behoren tot dezelfde populatie. Dit is vrij uitzonderlijk en betekent dat er geen subpopulaties zijn; het is een panmictische soort ; het DNA van elke aal in het gehele leefgebied is gelijk.

Het vermoeden bestaat, dat de schieralen ongeveer rond dezelfde periode aankomen in de Sargassozee. Maar vrouwtjes zijn groter dan mannetjes en zwemmen sneller. Daarom vertrekken de mannetjes enkele maanden eerder dan de vrouwtjes.