Biologie

De Europese aal is een trekvis en komt in vrijwel alle wateren voor in Europa die bereikbaar zijn voor de aal.  Het leefgebied strekt zich uit van de Noord-Afrikaanse kust tot het meest noordelijke puntje van Scandinavië. Als trekvis migreert de aal tussen leefgebieden om zich voort te planten. Alen worden geboren in de oceaan en groeien op in zoetwater. Daar komen ze terecht via brakwatergebieden in de delta’s. Als ze geslachtrijp zijn verlaten ze het zoete water en zwemmen ze terug naar de oceaan om zich voort te planten. Het is een zogenaamde katadrome vissoort .

Het leefgebied van een aal betreft elk bereikbaar water, variërend van kustwateren, brakke delta’s, rivieren en grote meren tot ondiepe sloten en polderwateren. Sommige alen blijven in hetzelfde gebied totdat ze volwassen zijn, andere verplaatsen zich tussen verschillende gebieden. Aal heeft een voorkeur voor beschutte plaatsen en verstopt zich het grootste deel van de tijd onder stenen, in de bodem, in waterplanten en tussen de wortels van het riet.

Alen hebben een vernauwde kieuwspleet, waardoor ze langere tijd buiten het water kunnen overleven. Alen kunnen daardoor, als het moet, van de ene waterpartij naar de andere migreren over vochtige stenen en nat gras. Als ze dat doen, dan gebeurt dat ’s nachts. Alen kunnen ook tot zekere mate ‘klimmen’. Met name in het Verenigd Koninkrijk zijn de laatste jaren speciale ‘aalladders’ aangelegd. Voornamelijk op plekken waar de verbinding van wateren een probleem vormt [1].

Alen zijn lichtschuwe vissen. Vandaar dat ze vooral aan het begin van de avond en ’s nachts actief zijn. Dan gaan ze op zoek naar voedsel of nieuwe leefgebieden. Ook speelt de temperatuur een rol; hoe warmer, hoe actiever de aal. In warme landen is er daarom nauwelijks verschil te zien in dag- en nachtactiviteiten. Alen worden vaak onterecht bestempeld als aaseters. Afhankelijk van hun levensstadium, eten alen pissebedden, vlokreeftjes, muggenlarven, muggenpoppen, tweekleppige schelpdieren, kuit (eitjes) van vissen en allerlei kleine ongewervelden. Ze beschikken over een uitstekend reukvermogen en ruiken hun prooi op grote afstand. Als ze volgroeid zijn jagen alen vooral op vis.

Vrouwtjes worden in Nederland tussen de 50 en 133 (!) cm en mannetjes tussen de 35 en 50 cm lang. Door hun zwemmethode kunnen lange alen grotere slagen maken dan kleine alen. De grotere vrouwtjes kunnen dus sneller zwemmen dan de kleinere mannetjes. Het geslacht van een aal wordt pas bepaald als die ongeveer 28 cm lang is. Bij een hogere dichtheid van alen in een bepaald gebied ontwikkelen zich meer mannetjes dan vrouwtjes.

De watertemperatuur waarin alen leven ligt tussen de 0 en 27 graden Celsius. In warmere gebieden groeit de aal sneller. Mede hierdoor worden ze gemiddeld eerder volwassen en beginnen ze eerder aan hun voortplantingsmigratie dan alen in koudere gebieden. In Zuid-Europese wateren kan een aal al na 2,7 jaar volwassen zijn, terwijl in het Noordelijkste puntje van het leefgebied wel 15 tot 20 jaar normaal is! Ook de waterkwaliteit en de beschikbaarheid van voedsel spelen een belangrijke rol in de groeisnelheid en geslachtrijpheid van de aal.